kinderen en de kenniseconomie

Onlangs hebben zowel de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid als de Onderwijsraad iets gezegd over de dingen die kinderen zouden moeten leren op school.

De Onderwijsraad presenteerde op 4 november het rapportEen smalle kijk op onderwijskwaliteit. De stand van educatief Nederland 2013” . De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) presenteerde op dezelfde dag het rapportNaar een lerende economie. Investeren in het verdienvermogen van Nederland .” Daarin gaat de WRR ook in op de manier waarop kinderen worden voorbereid op de kenniseconomie.

Beide instanties vinden, dat de kinderen in Nederland ook andere dingen zouden moeten leren dan (cognitieve) vakken als rekenen en taal. Het verhogen van de taal- en rekenprestaties heeft de afgelopen tijd eenzijdig de aandacht gekregen, volgens de Onderwijsraad. Dit terwijl de samenleving ook behoefte heeft aan creativiteit, probleemoplossend vermogen, samenwerking, culturele en morele sensitiviteit, zorgzaamheid en vakmanschap. De WRR noemt vaardigheden als probleemoplossend redeneren, analytisch denken, samenwerken en ‘leren leren’ belangrijk voor de kenniseconomie.

Met die analyse ben ik het eens. Kinderen hebben veel meer vaardigheden en soorten kennis nodig bij het goed opgroeien. En goed opgroeien van kinderen is belangrijk voor onze maatschappij: onder andere omdat die kinderen dan later bijdragen aan de economie. Maar vanuit mijn achtergrond zou ik de aanbevelingen niet beperken tot dingen leren op school, in het klaslokaal.Om kinderen goed voor te bereiden op de kenniseconomie is het ook belangrijk dat kinderen tijd hebben om te spelen. Ik zou het willen zeggen tegen iedereen die erover nadenkt hoe de kinderen voor te bereiden op de kenniseconomie en op hun toekomst: vergeet niet hoe belangrijk spelen is voor de ontwikkeling van kinderen!

Van spelen, ja zelfs van je vervelen, leer je als kind heel veel: samenwerken, nieuwe oplossingen verzinnen. Om dat te kunnen doen, hebben kinderen vrijheid en vrije tijd nodig om dingen te ontdekken. Een vol programma met lessen en buitenschoolse activiteiten staat dat in de weg. Als je daarin doorschiet, hebben de kinderen tussen 8 uur ’s ochtends tot 18 uur ’s avonds geen tijd om zelf te kunnen bedenken wat ze willen doen: in het zand spelen, met verkleedkleren, voetballen, tekenen, nieuwe trucjes op het duikelrek of iets heel anders.

Er is ondertussen een trend om een beter ingericht schoolplein te gebruiken voor “buitenlessen”. En zeg nou zelf: zo’n plein vol tegels is al snel beter te maken met een andere inrichting. En ja, dan kan je ook buiten leren over de natuur, of taal en rekenen. Maar als we die kostbare pauze’s ook weer vol organiseren met activiteiten om te leren, doen we het verkeerd volgens mij.

Geef kinderen voldoende tijd en ruimte om elke dag te spelen. Laat ze tijdens de pauze op school (nu soms maar drie kwartier  van de schooldag!) gewoon spelen. Maak daar niet gelijk een “buitenles” van. Hoe goed en leuk het overigens is om ook buiten te leren, ervaringen op te doen als kennisbron, geef kinderen die tijd om te groeien en te leren door het hen zelf te laten doen. En buitenlessen die doe je dan in plaats van binnen zitten, toch?