.

Na de meivakantie

De kinderen zijn weer naar school. Ik blik terug op de meivakantie. Mijn goede vriend Rolf Clason schreef een ballade voor de Dag van de Arbeid. Hij leidde deze in met de volgende woorden

Op vrijdag 6 december 1935 schreef ir A.A. Mussert in zijn weekblad Volk en Vaderland een sneerend artikel over “den zich katholiek noemenden Van Duinkerken”. Anton van Duinkerken reageerde met een echte rederijkersballade, de Ballade van den Katholiek, opgedragen aan Mussert.

Omdat Nederland ook in 2009 zijn antidemocraten kent, die denken dat de vrijheid een legitimatie is voor het discrimineren van groepen mensen, heb ik onlangs een moderne versie gemaakt van Van Duinkerkens ballade. Ik gaf hem uiteraard de titel Ballade van de socialist mee.

Gaat u er even rustig voor zitten: zo’n rederijkersballade bevat vijf strofen van elk elf regels, afgesloten met een korte strofe van vier regels, die de zogenaamde ‘envoi’ bevat, gericht aan de Prins van de rederijkerskamer. De persoon van die prins wordt wel genoemd in de ballade, en zal u bekend voorkomen.”

Ikzelf lees er ook verwijzingen in naar de gebeurtenissen van de Dodenherdenking van dit jaar en de nationale smart en medeleven na de vliegtuigramp. De solidariteit tonen we oa door een tijdelijke campagnestop.

Hier dan

de Ballade van de Socialist

Jawel mijnheer, ik noem mij socialist!
Beroemde namen strekken mij tot voorbeeld:
Mijn opa die van ’s werkmans vrijheid wist
Heeft van zijn leven nooit een ander mens veroordeeld,
Noch in de vijver van de wrok en naijver gevist,
Als Internationaal nooit eigen volk bevoordeeld.
Zijn bond die zoveel mensen te verbinden wist,
En zijn partij die niet gestoeld was op een angstbeeld,
Verbonden met miljoenen leden die ú mist,
Bang als u bent voor wie u niet kritiekloos naspeelt,
Daarom mijnheer, noem ik mij socialist!

U weet het wéér niet, van die zieke tijd,
Toen München en Berlijn, en Berchtesgaden,
Vol zwelgend in hun valse trots en rassennijd
Zich Herren wanend voor het voetlicht traden.
Geef mij de weg van strijd in solidariteit,
Waar Uyl en Troelstra, Gorter, Roland Holst de paden
Geëffend hebben voor de altijd actuele strijd,
Zodat wij oogsten wat gegroeid is uit hun zaden.
Dat De Miranda door zwartbruine vuige list
Moest sterven om zijn soort, niet om zijn daden.
Daarom mijnheer, noem ik mij socialist!

U prijst uw vrijheid als het hoogste goed, terecht,
Maar weigert –paradox- dat goed aan allen,
Vooral wier trekken u niet helemaal bevallen,
Zodat u wat u zelf claimt, hun ontzegt.
U hebt wellicht nooit het verhaal geweten
(U kunt het toch niet zomaar zijn vergeten!)
Van Anneliese Frank, gevlucht voor de barbaren,
Die aan de Prinsengracht haar leven te bewaren…
Dacht…, maar die haar lot niet te voorspellen wist.
Zij wilde schrijfster worden als de oorlog was beslist:
Daarom mijnheer, noem ik mij socialist!

Of men in Venlo of in Mokum is geboren,
Al is het rode hemd mij nader dan de bruine rok,
Zij die kritiekloos naar uw woorden horen
Zijn met u medeschuldig in hun veil amok.
Mijn opa heeft mij klip en klaar geleerd:
De onderkruipers, zij verleren nooit hun streken.
Nooit leerde ik mijn hand ten hemel steken,
Heil roepend om een nagemaakte pruik.
Ach, mag ik u één ogenblik van aandacht smeken
Voor u vergeet wat er verborgen gaat in Clio’s buik?
Meer dan ooit eer, mijnheer, noem ik mij socialist!

PRINCE
Prins Willem die in Delft werd omgebracht,
Wiens wijsheid door de eeuwen node werd gemist,
Die ’t volk de werkelijke vrijheid bracht,
Schild en betrouwen, noem mij socialist!

© Rolf Clason, Hooge Mierde/Delft, 30 april/1 mei 2009

17 mei 2010

WordPress Lightbox